De burger als partner, dat is even schrikken…
 
 

De wijkambtenaar die wil samenwerken met bewoners moet zich minstens door drie verdedigingslinies heen werken. Politici en collega-ambtenaren maken het vaak niet eenvoudig. Hans Hoogvorst schetst de hobbels.

Daar waar de ambtelijke organisatie het nog wel eens laat afweten zijn de actieve bewonersorganisaties natuurlijke bondgenoten van de wijkambtenaar. Samen zetten zij zich in, ieder vanuit de eigen rol, voor een veilige en leefbare wijk en soms zelfs voor een rechtvaardiger samenleving. Op sommige plaatsen in het land zijn mooie voorbeelden te zien van wat deze samenwerking voor een wijk kan betekenen. Helaas zijn er meer voorbeelden van waar het maar niet lukken wil.

Onlangs was ik aanwezig bij een felle discussie tussen twee wethouders, de één ex-wethouder en de ander nog volop in functie. De ‘ex’ klopte zich op de borst omdat hij de bewoners — door topdown met grootschalige sloopplannen te komen — ‘wakker’ had geschud en daarmee tot participatie had bewogen.
In de zaal zaten verschillende getuigen die jaren na dato nog actief waren en zo te horen nog behoorlijk boos ook, maar vreemd genoeg niet op de ex-wethouder.
De collega-wethouder echter vond het een belachelijke tactiek, voor zover daar al sprake van was geweest, waar hij ernstig aan twijfelde; eerst mensen de stuipen op het lijf jagen en ze dan met veel moeite weer proberen voor je te winnen. Hij sprak liever het goede in de mensen aan, hun kwaliteiten en betrokkenheid. Naar verluid heeft dat in de stad waar de wethouder vandaan komt ook actieve bewoners opgeleverd.

Uitlokking of uitdaging, beide wethouders gaven bewoners een reden om actief te worden.
In het eerste geval ligt de wijkambtenaar volop in de vuurlinie. Een enkeling die erin slaagt om over een langere periode voor beide partijen aanspreekbaar te blijven, verdient postuum een onderscheiding.
Op het eerste gezicht lijkt de wijkambtenaar, die dient onder de tweede wethouder, het beter getroffen te hebben. Maar de weg van samenwerking op basis van kwaliteiten is nog grotendeels ongeplaveid. Partnership vraagt in de eerste plaats om wederzijds vertrouwen. Vertrouwen wordt doorgaans gewonnen door respect en openheid. Vertrouwen geven betekent dat zaken aan de partner worden toevertrouwd.

Voordat het zover is zullen ambtenaren en politici af moeten van hun tegelijkertijd bevoogdende en arrogante houding van ‘dat kunnen ze toch niet’ of ‘daar kunnen we de burgers niet mee belasten’. Een tweede ‘verdedigingslinie’ is die van het algemeen belang. Zelfs voor een luttel wijkbudget wordt als het aan sommige ambtenaren ligt een uitgebreid reglement opgesteld, waarvan het niet denkbeeldig is dat de accountantskosten het subsidiebedrag overschrijden. De derde ‘verdedigingslinie’ is die van de werkdruk. Samenwerking met de burgers betekent extra werk en vraagt om extra formatie zo is de redenering.

Tegelijkertijd zien we bij de bewonersorganisaties spiegelbeeldige reacties. Zo heb ik me eens de woede van bewoners op de hals gehaald toen ik ze vroeg wat ze met de nieuw verworven bevoegdheden, zoals een eigen budget en (mede)zeggenschap over de welzijnsinzet in de wijk, gingen doen. De schrik sloeg hen om het hart bij zoveel vertrouwen.

De wijkambtenaar die het als taak ziet om tot samenwerking in de wijk te komen zal zich door deze verdedigingslinies heen moeten werken. Dit vraagt van de wijkambtenaar veel doorzettingsvermogen, creativiteit en strategisch handelen. Een item van belang, een bewonersgroep die ervoor wil gaan, en steun van bovenaf zijn daarbij onontbeerlijk. Daarover waren beide wethouders het in ieder geval eens.

Hans Hoogvorst,
interim manager en coach, tevens initiatiefnemer en begeleider van de leergang Wijkgericht Werken (Bestuursacademie)

Reacties op dit artikel naar hanshoogvorst@wxs.nl